English | Nederlands | Español
 
 
Mensen met een missie in Nederland
Lees ook:

‘Traditie moet je zelf ontdekken’ Theoloog Bas van den Berg over vertellen en verbeelden, identiteit en traditie

‘Traditie wordt pas traditie als nieuwe generaties haar vanzelf opnieuw ontdekken. Verhalen zijn nooit waar, ze moeten waar worden.’ Theoloog Bas van den Berg (1953) is zijn hele werkzame leven al gefascineerd door de kracht van verhalen. Dat leven speelde zich voornamelijk af in het onderwijs: in de Academie voor Theologie en Levensbeschouwing (Amsterdam), bij het CPS (vroeger: Christelijk Pedagogisch Studiecentrum) in Amersfoort en sinds 2004 als lector Dynamische Identiteit aan de Utrechtse Marnix Academie. Bas van den Berg was sinds de oprichting betrokken bij de Santenkraam, een organisatie die in trainingen, cursussen en voorstellingen theologie en Bijbel verbond met verhalen vertellen, theater en dans. De Santenkraam maakte in 1996 een doorstart als De 7evende Hemel. Bas van den Berg houdt een lezing op de studiedag van de Doopsgezinde Zending, op zaterdag 2 juni in de doopsgezinde kerk in Utrecht. Wat bezielt hem?

Zijn liefde voor verhalen in het onderwijs dateert van de kennismaking met rabbijn Yehuda Aschkenasy in Utrecht, die theologiestudenten leerde lernen. Deze joodse manier van omgaan met de levende traditie heeft Van den Berg zijn leven lang aangesproken, zozeer dat hij de afgelopen vier jaar bezig is met een promotieonderzoek naar de verhouding tussen verhaal en verbeelding. Wat is verbeelding bij kinderen? Wat is het verschil met fantasie? Wat doen verhalen met verbeelding en andersom? Hoe komt verbeelding tot stand? Het zijn vragen die in het proefschrift zowel theoretisch als met praktijkvoorbeelden worden behandeld.

De Marnix Academie is een zelfstandige, open christelijke Pabo met 1400 voltijdstudenten en 100 deeltijdstudenten. Wat doet een lector Dynamische Identiteit?

‘Met de invulling daarvan ben ik nu acht jaar bezig en dat lectoraat zal zich moeten bewijzen. Belangrijk is hoe je je christelijke traditie invult in het aanbod aan je studenten. Wat moet daarvan blijken op de basisscholen waar ze straks als leerkrachten gaan werken? Identiteit ontwikkel je, die is er niet bij voorbaat. Daarbij gaat het om de kwaliteit van het onderwijs dat de studenten straks gaan geven, niet om een al aanwezig setje normen en waarden. Daarom werken we veel direct samen met basisscholen. Een deel van ons onderwijs vindt dus in company plaats. Dan zien de studenten meer van de school, van de dagelijkse gang van zaken, van de functie van de school in de buurt. Bij de kwaliteit van je onderwijs hoort een vragende, belangstellende houding: wat is van waarde voor de leerlingen? Hoe kun je leerlingen wegwijs maken in de wereld van cultuur en levensbeschouwing? Hoe kunnen zij zelf hun weg vinden daarin? Dat is dus totaal anders dan iets overdragen vanuit een vaststaande christelijke identiteit.’

Kan dat: levensbeschouwelijk onderwijs zonder confessioneel te zijn? Onderwijs dat ook leerlingen van andere religies of leerlingen die niet religieus opgevoed zijn aanspreekt? Bas van den Berg aarzelt niet.

‘Dat kan niet alleen. Dat is broodnodig. Dat moet. Alle kinderen hebben recht op goed levensbeschouwelijk onderwijs. Basisschoolleerlingen krijgen vaak thuis weinig bagage mee om hun eigen weg te leren vinden. Ze worden niet begeleid in de kennismaking met cultuur en levensbeschouwing. Het zijn wereldjes naast elkaar. De school is een goede plaats waar dat wel kan. De school kan leerlingen helpen zich te oriënteren, samen een richting, een eigen weg te vinden. In religies en levensbeschouwingen zijn thema’s aan de orde die van belang zijn, van levensbelang zelfs. En ook levensbeschouwelijke bronnen zoals verhalen uit de traditie kunnen, mits ze goed gebracht worden, daarbij goede hulpmiddelen zijn.’

‘Een goed verhaal blijft groeien, een goed verhaal sterft nooit.’

‘De oneindige interpretatiemogelijkheden van grote verhalen en hun rust.’

Aforismen 52 en 68 van de Nigeriaanse schrijver Ben Okri (1959), uit ‘De vreugde van het vertellen III’, in: Een vorm van vrijheid. Essays. Amsterdam Van Gennep 1997.

Je noemt ergens dat het aanleren van zo’n levensbeschouwelijke houding leerlingen weerbaar maakt. Wat bedoel je daarmee?

‘Leerlingen maken in het levensbeschouwelijk onderwijs kennis met nieuwe soorten werelden, met andere ethische keuzemogelijkheden. Als je je die eigen maakt, sta je sterker in de wereld omdat die ontdekking iets van jezelf is. Want dat is traditie: dat je vanuit jezelf traditie opnieuw ontdekt en je eigen beleving en verbeelding eraan toevoegt, dat je nieuwe formuleringen bedenkt die bij je passen. Identiteit betekent dat het eigen is, ik noem het liever: zelfverstaan. Traditie is niet iets dat afgesloten is. Iedere generatie maakt een nieuwe, eigen keuze uit wat overgeleverd is. Niemand maakt ook dezelfde keuze. Die keuze moet je verantwoorden en dat moet je leren. Het heeft wat mij betreft te maken met het joodse tijdsbegrip, waarin verleden, heden en toekomst door elkaar heen kunnen bestaan, waarin in principe geen verschil is tussen vroeger en later. Levende traditie is traditie die op dat ene moment tot je spreekt en zo tot je spreekt dat je wel moet antwoorden.’

Dat klinkt theoretisch, maar ik neem aan dat je een idee hebt hoe zo’n manier van omgaan met traditie en identiteit in de praktijk van het onderwijs vorm kan krijgen.

‘Ja, dan kom je uit bij het verhaal en de verbeelding van kinderen – mijn promotieonderwerp. Ik heb twee onderzoeksweken georganiseerd op basisscholen, een in Amersfoort-Noord en de andere in de Bijlmermeer. Samen met de leerkracht hebben we daar in groep zes het verhaal van Esther en dat van Jozef verteld. Het waren voor verreweg de meeste kinderen onbekende verhalen. Dan kun je dus zonder last en ruggespraak peilen waar het verhaal de verbeelding van de kinderen prikkelt, wat ze er vooral uit oppikken. Bij het verhaal van Esther vielen een paar reacties op. Zo leverde de constatering dat het om een joods meisje ging een positieve interpretatie van het woord joods op. Het was immers een dapper meisje dat het tegen die boze Haman opnam voor haar volk. En dat werd in de Bijlmer zeer gewaardeerd. De aanslag die in het verhaal wordt gepland kwam de scholieren ook bekend voor. Eén leerling had zo’n aanslag van nabij zelf meegemaakt in de wijk. De plot van Esther oogstte schaterlachen. Dat Haman een heldenonthaal voor zichzelf regelt dat uiteindelijk voor zijn vijand Mordechai is bestemd, vonden ze fantastisch. Ze hadden een feilloos gevoel voor de gein van het verhaal.’

En hoe verging het Jozef in Amersfoort?

‘Daar was een zeer creatieve leerkracht bij betrokken. Wat “in de put zitten” was, wisten de kinderen. Daarom had ze een put gemaakt, waar de scholieren briefjes in konden gooien waarop ze een rotsituatie hadden geschreven die ze zelf hadden meegemaakt. Die briefjes werden er door anderen uitgehaald en dan mochten die degene die het briefje had geschreven een tip geven wat hij of zij in zo’n situatie zou kunnen doen. Dat had al veel impact in de klas – over levensbeschouwelijk onderwijs gesproken. Ze leefden zich erg in in Jozef, zijn talent om dromen uit te leggen vonden ze ook prachtig. Ze mochten zelf vertellen wat ze hadden gedroomd en sommigen waren er echt goed in om te proberen om zo’n droom te verklaren. Het slot van het Jozefverhaal maakte ook veel indruk. Dat dezelfde Jozef die ooit door zijn broers in de put was gegooid nu die broers op de proef stelde om te kijken of ze het zouden opnemen voor Benjamin. En dat ze toen dat inderdaad het geval bleek te zijn zich met elkaar verzoenden zonder dat Jozef wraak nam. Daar kwamen hele gesprekken over. Dan krijg je dus aanschouwelijk voor ogen wat de kracht van het verhaal is en wat het belang van verbeelding. En zo zou ik ook willen omgaan met traditie en identiteit.’

Bas van den Berg en zijn collega’s van de Marnix Academie ontwikkelen zo nieuwe vormen van levensbeschouwelijk onderwijs. ‘Uitgangspunt daarbij is dat in die vorm van onderwijs de leerlingen centraal staan. Het gaat om de vraag hoe zij de rijke wereld van levensbeschouwing en cultuur kunnen ontdekken. Hoe kunnen zij belangrijke verhalen leren kennen en onderzoeken, hoe vinden zij samen met hun juffen en meesters antwoorden op hun levensvragen? Uitgangspunt bij hun benadering van levensbeschouwelijk leren is ook dat alle kinderen, ongeacht of ze op de bijzondere of op de openbare school zitten, recht hebben op goed levensbeschouwelijk onderwijs, zodat zij ook de eerste stappen kunnen zetten in het ontwikkelen van een eigen levensvisie en levensstijl. Voor die ontwikkeling is een goede en speelse kennismaking met religieuze tradities nodig.’ Zo stond het in de introductietekst van deze verhalendeskundige. En zo kan het ook gaan: vraag het in Amersfoort-Noord en Amsterdam-Zuidoost.

Willem van der Meiden